Liefste C.,
vandaag, zoveel jaren geleden, stierf je onverwacht. Het was even zo warm als nu, maar je lag koud naast mij. Niet dat ik er iets van merkte, de gedachte aan de dood kwam niet in mij op. Ik kon het niet bevatten.
Nu, zoveel jaren later, zou ik moeten weten wat dood is. Misschien weet ik dat wel, maar bevatten doe ik het nog altijd niet. Dat een jonge gezonde man van het ene moment op het andere kan sterven, dat gaat er nog altijd niet in. Zelfs niet na zovele jaren.
Ik ben ouder nu, - een pak ouder zelfs - dan toen jij. Je blijft een twintiger. Je blijft jong. In alle opzichten. Ik word ouder.
Soms fantaseer ik dat ik je één maal per jaar mag zien. Zelfs wuiven vanuit de verte zou mij genoeg zijn. Ik hoef niet eens met je te kunnen praten, maar even wuiven, dat zou mooi zijn. Dag lieve C. En je een kushand toewerpen. Zoiets.
Zodat je ook weet dat ik opgehouden ben met boos op je te zijn. Boos op je onverwachte afscheid.
Dan zou ik je zeggen dat alles goed gaat met mij. Dat S., die als dappere tiener voor je zong op je begrafenis, ondertussen moeder van een flinke dochter is. Dat de vrienden van het kot waar jij mij bezocht, nog altijd vrienden zijn. Sterke madammen en straffe heren.
Dat ik nu 'hertrouwd' ben. Klinkt niet goed hé ? Of toch ? Daar zit ik soms wel mee, al veroordeelt geen enkele maatschappij weduwen tot eeuwige rouw.
J., ons beider goeie 'oude' vriend, woont in Rome nu. Dicht bij de paus naar verluidt. Ik weet zeker dat zo'n nieuws jou doet glimlachen. En dat hij ook wel soms aan je denkt. Dat weet ik wel zeker.
Ik ben niet de ambitieuze weg ingeslagen die voor ons lag toen jij stierf. Heel wat plannen die we hadden zijn in één ruk van tafel weggeveegd. Ook dat vind ik jammer.
Hoe gaat het met jou ? Vroeger dacht ik al dat er zoiets als de hemel bestond, of eeuwige rust, en dat zou ik jou gegund hebben, want rust, daar had je zo'n nood aan. Maar nu weet ik het niet meer. Misschien leef jij enkel nog in mijn gedachten.
Ik weet dat er alle dagen mensen sterven, oud en jong, mannen en vrouwen, kinderen. Het zou niet eens zo 'abnormaal' moeten zijn, maar niemand praat er over. Ik ook niet. Eén grote leegte is het. En een al even grote stilte. Wat moet je er over zeggen, over de dood ?
Jij leeft nog in mij. Hoe sterk, kil en zwijgzaam de dood ook is, dat stukje leven krijgt hij niet.
Jij leeft in mij.
Dag lieve C., tot volgend jaar ?
vandaag, zoveel jaren geleden, stierf je onverwacht. Het was even zo warm als nu, maar je lag koud naast mij. Niet dat ik er iets van merkte, de gedachte aan de dood kwam niet in mij op. Ik kon het niet bevatten.
Nu, zoveel jaren later, zou ik moeten weten wat dood is. Misschien weet ik dat wel, maar bevatten doe ik het nog altijd niet. Dat een jonge gezonde man van het ene moment op het andere kan sterven, dat gaat er nog altijd niet in. Zelfs niet na zovele jaren.
Ik ben ouder nu, - een pak ouder zelfs - dan toen jij. Je blijft een twintiger. Je blijft jong. In alle opzichten. Ik word ouder.
Soms fantaseer ik dat ik je één maal per jaar mag zien. Zelfs wuiven vanuit de verte zou mij genoeg zijn. Ik hoef niet eens met je te kunnen praten, maar even wuiven, dat zou mooi zijn. Dag lieve C. En je een kushand toewerpen. Zoiets.
Zodat je ook weet dat ik opgehouden ben met boos op je te zijn. Boos op je onverwachte afscheid.
Dan zou ik je zeggen dat alles goed gaat met mij. Dat S., die als dappere tiener voor je zong op je begrafenis, ondertussen moeder van een flinke dochter is. Dat de vrienden van het kot waar jij mij bezocht, nog altijd vrienden zijn. Sterke madammen en straffe heren.
Dat ik nu 'hertrouwd' ben. Klinkt niet goed hé ? Of toch ? Daar zit ik soms wel mee, al veroordeelt geen enkele maatschappij weduwen tot eeuwige rouw.
J., ons beider goeie 'oude' vriend, woont in Rome nu. Dicht bij de paus naar verluidt. Ik weet zeker dat zo'n nieuws jou doet glimlachen. En dat hij ook wel soms aan je denkt. Dat weet ik wel zeker.
Ik ben niet de ambitieuze weg ingeslagen die voor ons lag toen jij stierf. Heel wat plannen die we hadden zijn in één ruk van tafel weggeveegd. Ook dat vind ik jammer.
Hoe gaat het met jou ? Vroeger dacht ik al dat er zoiets als de hemel bestond, of eeuwige rust, en dat zou ik jou gegund hebben, want rust, daar had je zo'n nood aan. Maar nu weet ik het niet meer. Misschien leef jij enkel nog in mijn gedachten.
Ik weet dat er alle dagen mensen sterven, oud en jong, mannen en vrouwen, kinderen. Het zou niet eens zo 'abnormaal' moeten zijn, maar niemand praat er over. Ik ook niet. Eén grote leegte is het. En een al even grote stilte. Wat moet je er over zeggen, over de dood ?
Jij leeft nog in mij. Hoe sterk, kil en zwijgzaam de dood ook is, dat stukje leven krijgt hij niet.
Jij leeft in mij.
Dag lieve C., tot volgend jaar ?

Ondertussen ken ik de buren van ons nieuwe toekomstige huis. 'Aanvaard bij de lokale bevolking' zei mijn echtgenootje nog. De gesprekken gaan over het weer en de tuin waarin ik graag werk en over de bouwwerken natuurlijk.
De dorpels (soort stenen balken vensterbanken) worden niet geleverd. Zo lang de dorpels niet geleverd worden kan de schrijnwerken niet komen meten voor de vensters. Tussen het meten van de vensters en het plaatsen van de vensters zit 6 weken (én 3 weken bouwverlof). Zo lang de vensters er niet in zitten kan de stukadoor niet komen. Zo lang de stukadoor niet gekomen is, kan de 'chapper' en de tegelaar niet komen. 




